...

Cydonia Barocca | Muziekfestival Gent 2024

Cydonia Barocca
Muziekfestival
Cydonia Barocca
Muziek
festival
editie 5
-klavecimbel-
4-5-6 Juni 2022

Het Klavecimbel

Strelend, percussief, hamerend, nagelend, pingelend, zangerig, ruisend, ... het klavecimbel kan veel en weinig tegelijk. Rationeel én emotioneel. Zoals bij elk instrument dienen componist en uitvoerder te zoeken naar de specifieke expressiemogelijkheden en daarmee aan de slag te gaan. Als begeleidingsinstrument tijdens de barok was het engelachtige geluid van het instrument niet weg te denken bij kamermuziek.

Maar we laten, naast de instrumenten zelf, een echte ervaringsdeskundige aan het woord, nl. de meest beroemde zoon van Johann Sebastian Bach, Carl Philipp Emanuel, die op basis van zijn kennis en ambitie in 1753 een omvangrijke methode liet verschijnen onder de titel: Versuch über die wahre Art das Clavier zu spielen. Hier een deel van het voorwoord.

GESCHIEDENIS van het klavecimbel.

De klavecimbel is een snaarinstrument waarin snaren in trilling worden gebracht door te tokkelen. Het was één van de belangrijkste klavierinstrumenten in de Europese muziek van de 16e tot de eerste helft van de 18e eeuw. Over het algemeen heeft een klavecimbel twee of meer sets snaren, die elk verschillende tonen kunnen produceren. Als de ene set een octaaf hoger klinkt dan de andere spreken we van een 4-voet register, terwijl een set snaren op dezelfde toonhoogte een 8-voet register wordt genoemd. In sommige 20e -eeuwse klavecimbels is er een 16-voet register toegevoegd dat een octaaf lager klinkt. De toon van een klavecimbel wordt versterkt door een klankbord dat onder het horizontale vlak van de snaren is geplaatst. De snaren gaan over een brug die aan het klankbord is vastgelijmd en die hun vibratie erop overdraagt.

De oudste nog bestaande klavecimbels werden in het begin van de 16e eeuw in Italië gebouwd. Er is weinig bekend over de vroege geschiedenis van het klavecimbel, maar tijdens de 16e-18e eeuw onderging het een aanzienlijke evolutie en werd het een van de belangrijkste Europese instrumenten. Er ontstonden nationale bouwscholen, met name in Italië, Vlaanderen, Frankrijk, Engeland en Duitsland. Een verfijnde decoratie met beschilderde deksels werd in de rijke 17de eeuw modieus.

De meeste grote barokcomponisten speelden of schreven voor het klavecimbel. Tegen het midden van de 18e eeuw was het klavecimbel uitgegroeid tot een normaal bereik van vijf volledige octaven, drie of meer snaren per noot en vaak twee toetsenborden. Op dit moment begon het te concurreren met de nieuwe pianoforte, die zacht of hard kon spelen volgens de druk van de vingers op de toetsen. Het klavecimbel kon echter deze dynamische gradatie niet aan en werd overweldigd door de piano. Het werd eind 19e eeuw nieuw leven ingeblazen en blijft evolueren - maar niet noodzakelijkerwijs verbeteren - in de handen van moderne bouwers en componisten.

Algemeen

Het klavecimbel behoort tot de Europese muziek- en instrumentencultuur. De eerste instrumenten zijn te situeren tijdens de 14e eeuw in de provincies die tot het Bourgondische rijk behoorden en in Italië. De verschillende varianten, zoals spinet, virginaal, muselaar, clavicytherium enzovoorts, kenden een snelle technische ontwikkeling en een geografische verspreiding door heel Europa. Aan de koninklijke en prinselijke hoven, bij de rijke burgerij en de adel, in bisschoppelijke paleizen, deed het klavecimbel zijn intrede, gegeerd zowel wegens zijn uitgebreide muzikale mogelijkheden als voor zijn karakter als luxe- en prestigeobject.

Voor de uitvoering van profane muziek werd dit het instrument bij uitstek. De technische vooruitgang bij het bouwen ging hand in hand met de ontwikkeling van een breed repertoire. Eerst ging het om bewerkte orgelmuziek, maar weldra werd het klavecimbel een onafhankelijke inspiratiebron. Het werd voortaan een vaste waarde als basso continuo in een ensemble, als solist in concerto's en als solo-instrument. Nauw verbonden met de barokmuziek en met de primauteit van het contrapunt, muzikaal symbool van het ancien régime, werd het klavecimbel verdrongen, eerst door de pianoforte, vervolgens door de piano. Bij de opkomst van de klassieke 19e-eeuwse muziek verdween het klavecimbel bijna volledig. Pas in de eerste helft van de 20e eeuw herwon het een bescheiden belangstelling, om in de tweede helft van die eeuw een triomfantelijke wedergeboorte mee te maken. De geschiedenis van het klavecimbel is tot op heden nooit op wetenschappelijke en exhaustieve manier behandeld. Pas in de 20e eeuw werd onderzoek verricht. Documenten en iconografie zijn erg verspreid en ongelijk van waarde. Meestal zijn het musea en privécollecties die ze bewaren. Sommige archiefstukken zijn traceerbaar en toe te schrijven. Andere blijven anoniem en bieden dan ook heel wat onderzoeksmogelijkheden aan deskundigen en studenten.

18de eeuw

De klavecimbelbouw bereikte in de 18e eeuw zowat overal in Europa een hoogtepunt, behalve misschien in Italië, waar eerder een stagnatie zo niet een achteruitgang is vast te stellen, behoudens uitzonderingen, zoals Cristofori. Concept en bouw bereikten een ongeëvenaarde complexiteit en perfectie, vooruitgestuwd door grote bouwers, zoals Blanchet en Taskin in Parijs, Hass, Mietke en Silbermann in Duitsland, Dulcken in Vlaanderen, Shudi en Kirckman in Londen. Allen bewandelden ze de paden waarop de Ruckers hen waren voorgegaan. In Noord-Europa hadden de beste instrumenten (nieuwbouw of vernieuwbouw) twee klavieren, met een reikwijdte van vijf octaven (fa tot fa), met een nagenoeg standaarddispositie van 2 × 8', 1 × 4'} en met controlemechanismen van de registratie die steeds beter werden, zoals wordt aangetoond door de 'grenouillères' in Frankrijk, de pedalen en de machine stops in Engeland. De meest vindingrijken onder de bouwers gaven aan de instrumenten nieuwe expressiemogelijkheden, teneinde de instrumenten aan te passen aan de snel evoluerende muziek. Taskin vond de 'jeu de peau de buffle' uit en Shudi (Taskin), de Venetian swell. Uiteindelijk waren de klavecimbels niet meer aan te passen aan de nieuwe smaak en werden ze onvermijdelijk weggeduwd ten voordele van de pianoforte die rond 1709 was uitgevonden door de meest beroemde en meest begaafde onder de Italiaanse bouwers, Bartolomeo Cristofori. Tegen het einde van de eeuw had de pianoforte en zijn opvolger de piano, de harten van de musici veroverd.

Duitsland

In Frankrijk en in Engeland was het klavecimbel zonder twijfel het meest gebruikte snaren- en klavierinstrument. In Duitsland was het enigszins anders omdat daar het klavichord meer gewaardeerd werd. Klavecimbels werden in hoofdzaak gebouwd door orgelbouwers, voor wie het klavecimbel een nevenactiviteit was. Er waren wel heel wat steden waar klavecimbelbouwers gevestigd waren (in de eerste plaats Hamburg, Dresden en Berlijn), maar hun aantal lag toch veel lager dan in Parijs of Londen. Heel wat Duitse bouwers waren trouwens geëmigreerd. In Parijs trof men Christian Vater, Jean Goermans, Benoist Stehlin, de gebroeders Hemsch aan en in Londen Burkhardt Tschudi en Jakob Kirchmann. Ze vonden er waarschijnlijk een betere omgeving voor hun activiteiten. De concentratie in beide hoofdsteden maakte ook dat een duidelijke getypeerde nationale stijl kon tot stand komen wat niet het geval was in het Duitse Rijk.